- drapeau
- drapeau [draapoo]〈m.〉1 vlag ⇒ vaan(del)2 〈meervoud〉(het) leger3 vlaggetje 〈als correctieteken〉♦voorbeelden:1 le respect du drapeau • eerbied voor het leger, het vaderlandle drapeau tricolore • de (nationale) driekleuragiter le drapeau • het vaandel zwaaienêtre le drapeau des protestataires • de leider van de protesteerders zijnlever, planter son drapeau • voor zijn mening uitkomen, het hoogste woord voerenmettre son drapeau dans sa poche • niet voor zijn mening uitkomenmourir pour le drapeau • voor het vaderland stervenplanter un drapeau • vertrekken zonder te betalenporter le drapeau • voorloper zijn2 être sous les drapeaux • in dienst zijnmvaandel, vlag
Dictionnaire français-néerlandais. 2013.